Om vijf voor half twee vanmiddag landt een zware Kamerdelegatie op de Johan Adolf Pengel luchthaven bij de Surinaamse hoofdstad Paramaribo. Een groot deel van de fractievoorzitters benut het herfstreces voor het aanhalen van de banden met de voormalige Nederlandse kolonie.
Vooral dat laatste heeft de bijzondere aandacht van de PvdA-Kamerleden Chantal Gill’ard, zelf half-Surinaams, en Pierre Heijnen. Wat hen betreft kan de samenwerking tussen de twee landen niet ver genoeg gaan. Nu de huidige ontwikkelingsrelatie tussen Suriname en Nederland afloopt, is het tweetal bezig met plannen voor een toekomstige, hechte band.
„Er wonen net zoveel mensen met een Surinaamse achtergrond hier als daar", rekent Heijnen voor. Om iets preciezer te zijn: in Nederland wonen ongeveer 325.000 Nederlanders van Surinaamse afkomst, terwijl Suriname ongeveer 480.000 inwoners telt. „Ik ken derde generatie Surinamers die afstand van hun roots nemen, maar veel Surinamers zijn nog steeds betrokken bij de ontwikkelingen in het land. Als er iets misgaat, zoals toen met die overstromingen in het binnenland, of geweldplegingen door inheemse jongeren in Paramaribo, heeft dat zijn weerslag in Nederland", zegt Heijnen. „Tegelijkertijd: als het goed gaat in Suriname, dan merk je dat hier. Daarbij komt: steeds meer mensen, ook autochtone Nederlanders, wonen een paar maanden per jaar hier en dan een paar maanden daar."
Toch zien de twee Kamerleden hoe de status van Suriname binnen de Nederlandse buitenlandpolitiek langzaam afglijdt naar die van een willekeurig ander land. „De kennis over Suriname in het parlement is tanende", weet Gill’ard. Heijnen: „Achtereen volgende Kamercommissies van buitenlandse zaken kregen steeds minder besef van de bijzondere band tussen de twee landen. Voor het ministerie geldt hetzelfde."
Gek, zeker voor een land dat onderdeel is van Nederlandse TaalUnie, meent Gill’ard. „Als je de taal deelt, deel je ook de waarde van de taal. Daar zit een bepaalde levensvisie in; er zit kennis in verborgen". „Het geeft een bijzondere band weer, die wij niet verloren willen laten gaan. In de wereld heb je bondgenoten nodig, dus geef elkaar de hand en laat niet meer los." De ontwikkelingsrelatie is het overblijfsel van de koloniale band die de twee landen met elkaar hadden tot 25 november 1975, de dag waarop Suriname onafhankelijk werd. In het Verdrag van 1975 dat premier Den Uyl en zijn Surinaamse ambtgenoot Arron met elkaar sluiten, belooft Nederland 3,5 miljard gulden (omgerekend ruim 1,4 miljard euro) voor de ontwikkeling van Suriname.
Volgens de afspraak stelde Nederland ieder jaar een deel van die 'verdragsgelden' beschikbaar op basis van de behoefte van het betreffende jaar. Zo is de drinkwatervoorziening in de kuststreek en het binnenland van Suriname ermee bekostigd, is het bijzonder onderwijs erdoor verbeterd en is de bestraling van kankerpatiënten in Suriname ermee mogelijk gemaakt. Twee keer is de jaarlijkse donatie geschort. Eerst een keer in de rumoerige periode rond de Decembermoorden (begin jaren tachtig tot 1988), en vervolgens eind 1990 toen het militaire Gezag de toen zittende regering telefonisch naar huis stuurde.
Inmiddels is de geldpot echter leeg en wordt het tijd voor een nieuw verdrag, menen Gill’ard en Heijnen. En dat vindt ook voormalig PvdA-minister Bram Peper, die als adviseur betrokken is bij de Surinaamse verkiezingscampagne. Vanuit die functie gaat hij meedenken over zaken als de relatie met Suriname en de manier waarop de werkgelegenheid in Suriname kan groeien.
Peper: „Ik merk dat er bijzonder weinig beweging is om een nieuwe band vorm te geven". Dat hoeft wat hem betreft niet alleen financieel, want Nederland kan Suriname ook op andere manieren bijstaan. Op technisch vlak bij de wegenbouw bijvoorbeeld, of het waterbeheer. Volgens hem is het van groot belang dat Nederland meedenkt met Suriname over hoe het land verder moet na het aflopen van de ontwikkelingsgelden. „We mogen onze verantwoordelijkheid niet ontlopen. Er is onvoorstelbaar veel verkeer van familie, goederen, geld en cultuur die ook de Nederlandse is. Als je ziet hoeveel Nederlandse stagiaires daar rondlopen, dat heb je niet in de Verenigde Staten. Ik heb geen kant-en-klare formule, maar Suriname kan geen gewoon buitenland zijn."
De twee Kamerleden hebben evenmin zo’n formule, wel willen ze „vaststellen wat Nederland en Suriname met elkaar hebben." Dat zit ’m niet in het verleden, benadrukken ze, maar in de toekomst. „Denk aan vrij verkeer van mensen, denk aan reizen zonder visum", illustreert Gill’ard. Hendrik Comvalius, PvdA’er en directeur van stichting d’ONS (duurzame Ontwikkeling Nederland Suriname), kan zich wel in deze punten vinden. „Het mag niet vrijblijvend zijn. Bedenk bijvoorbeeld iets voor de afgekochte pensioenen". Hij doelt op de problemen met de pensioenen van Surinamers die heen en weer zijn verhuisd tussen hun land en de voormalige kolonisator, en daardoor nu kampen met een pensioengat.
Comvalius staat op het punt af te reizen naar Suriname. Volgende week organiseert hij twee seminars over duurzaam toerisme en goudwinning. „We moeten niet alleen op politiek en bestuurlijk niveau samenwerken, maar ook op het gebied van natuur, economie. Particuliere initiatieven moeten plaats krijgen. Niet alleen via een dode letter maar ook financieel", vindt hij. „Het budget zit in Suriname, vanuit Nederland kan de kennis komen."
Heijnen ziet wel heil in een dergelijke taakverdeling. „Al het talent zit hier in Nederland en de Surinaamse politieke situatie is niet ideaal. Er is etnische verdeeldheid, er bestaan grote verschillen tussen de stad -Paramaribo- en de districten, de infrastructuur laat te wensen over". Heijnen was tijdens zijn allereerste bezoek aan Suriname, nog als wethouder met de toenmalige Haagse burgemeester Deetman, optimistisch: geef me twee weken om dit land geweldig te maken, maar na één week moest hij concluderen: dit gaat niet lukken. „Al vergaderend ontdekten we hoe moeilijk je daar iets van de grond krijgt."
Het weerhield de gemeente Den Haag er niet van intensieve vriendschapsbanden met Suriname op te bouwen. Er werd samengewerkt op het gebied van woningproductie, bibliotheken, twinning van scholen, justitie, hbo-opleidingen. „Als je ziet dat gemeenten en instellingen zulke initiatieven ondernemen, kun je als Rijk niet doen alsof Suriname een land is als alle andere landen", vindt Heijnen. Hij erkent: „Ik sluit niet uit dat er al heel veel gebeurt, bijvoorbeeld op gebied van justitie en de douane, maar we weigeren om er een strik omheen te doen. Nu gebeurt het misschien wel, maar heel versnipperd. Dit biedt mogelijkheden om het te verbeteren."
Ook als Suriname tijdens de presidentsverkiezingen van volgend jaar een nieuwe president krijgt in de persoon van oud-legerleider Desi Bouterse? Is er dan nog steeds plek voor een warme vriendschapsband? Het tweetal knikt stellig. Bouterse doet er niet toe, menen ze, het gaat om de mensen. „Wat voor regering er ook zit. Deze band is niet aan de politieke conjunctuur onderhevig", zegt Gill’ard. Heijnen vult aan: „Nederland moet Suriname dan niet de rug toekeren. Juist dan mag je niet loslaten."
| < Prev | Next > |
|---|









